Dutch (Holland) scripture passages psalm psalms new testament love of god jesus christ in dutch language
GENESIS 1
Genesis 1:1 In den beginne schiep God den hemel en de aarde.
2 De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond; en de Geest
Gods zweefde op de wateren.
3 En God zeide: Daar zij licht! en daar werd licht.
4 En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het
licht en tussen de duisternis.
5 En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het
avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag.
6 En God zeide: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren; en dat make
scheiding tussen wateren en wateren!
7 En God maakte dat uitspansel, en maakte scheiding tussen de wateren, die
onder het uitspansel zijn, en tussen de wateren, die boven het uitspansel zijn.
En het was alzo.
8 En God noemde het uitspansel hemel. Toen was het avond geweest, en het was
morgen geweest, de tweede dag.
9 En God zeide: Dat de wateren van onder den hemel in een plaats vergaderd
worden, en dat het droge gezien worde! En het was alzo.
10 En God noemde het droge aarde, en de vergadering der wateren noemde Hij
zeeen; en God zag, dat het goed was.
11 En God zeide: Dat de aarde uitschiete grasscheutjes, kruid zaadzaaiende,
vruchtbaar geboomte, dragende vrucht naar zijn aard, welks zaad daarin zij op de
aarde! En het was alzo.
12 En de aarde bracht voort grasscheutjes, kruid zaadzaaiende naar zijn aard,
en vruchtdragend geboomte, welks zaad daarin was, naar zijn aard. En God zag,
dat het goed was.
13 Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de derde dag.
14 En God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels, om scheiding
te maken tussen den dag en tussen den nacht; en dat zij zijn tot tekenen en tot
gezette tijden, en tot dagen en jaren!
15 En dat zij zijn tot lichten in het uitspansel des hemels, om licht te geven
op de aarde! En het was alzo.
16 God dan maakte die twee grote lichten; dat grote licht tot heerschappij des
daags, en dat kleine licht tot heerschappij des nachts; ook de sterren.
17 En God stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de
aarde.
18 En om te heersen op den dag, en in den nacht, en om scheiding te maken
tussen het licht en tussen de duisternis. En God zag, dat het goed was.
19 Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vierde dag.
20 En God zeide: Dat de wateren overvloediglijk voortbrengen een gewemel van
levende zielen; en het gevogelte vliege boven de aarde, in het uitspansel des
hemels!
21 En God schiep de grote walvissen, en alle levende wremelende ziel, welke de
wateren overvloediglijk voortbrachten, naar haar aard; en alle gevleugeld
gevogelte naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.
22 En God zegende ze, zeggende: Zijt vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en
vervult de wateren in de zeeen; en het gevogelte vermenigvuldige op de aarde!
23 Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vijfde dag.
24 En God zeide: De aarde brenge levende zielen voort, naar haar aard, vee, en
kruipend, en wild gedierte der aarde, naar zijn aard! En het was alzo.
25 En God maakte het wild gedierte der aarde naar zijn aard, en het vee naar
zijn aard, en al het kruipend gedierte des aardbodems naar zijn aard. En God
zag, dat het goed was.
26 En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis;
en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte des
hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend
gedierte, dat op de aarde kruipt.
27 En God schiep den mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij
hem; man en vrouw schiep Hij ze.
28 En God zegende hen, en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar, en
vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij
over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het
gedierte, dat op de aarde kruipt!
29 En God zeide: Ziet, Ik heb ulieden al het zaadzaaiende kruid gegeven, dat op
de ganse aarde is, en alle geboomte, in hetwelk zaadzaaiende boomvrucht is; het
zij u tot spijze!
30 Maar aan al het gedierte der aarde, en aan al het gevogelte des hemels, en
aan al het kruipende gedierte op de aarde, waarin een levende ziel is, heb Ik al
het groene kruid tot spijze gegeven. En het was alzo.
31 En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed. Toen was het
avond geweest, en het was morgen geweest, de zesde dag.